Lezing van de dag

Vrijdag, 17 November 2017 : Lezing uit het boek der Wijsheid 13,1-9.

Van nature onwijs zijn alle mensen, die met onwetendheid over God behept zijn, en die niet in staat zijn geweest uit de zichtbare goederen Hem te kennen die is en evenmin door het beschouwen van de werken de kunstenaar hebben leren kennen, maar die of het vuur of de wind of de snel bewegende lucht of de sterrenhemel of het onstuimige water of de lichten aan de hemel zijn gaan houden voor de beheerders van de wereld, voor goden. Indien zij, door hun schoonheid bekoord, die dingen voor goden gingen aanzien, dan hadden zij moeten begrijpen, hoeveel voortreffelijker de Heer van dat alles is, want Hij die het geschapen heeft is de oorsprong van de schoonheid. Indien zij het echter deden, omdat zij verbijsterd waren over die macht en werking, dan hadden zij uit de verschijnselen moeten begrijpen, hoeveel machtiger de Maker ervan is, want uit de grootheid en de schoonheid van de schepselen wordt men door vergelijking hun Schepper gewaar. Niettemin treft deze mensen maar weinig blaam, want zij komen misschien op een dwaalspoor, terwijl zij God toch zoeken en willen vinden. Want terwijl zij zich met zijn werken bezighouden en zoeken, verlaten zij zich op hun ogen: wat zij zien is immers mooi. Anderzijds zijn ook zij niet te verontschuldigen. Want indien zij in staat waren zoveel te weten, dat zij zich van de wereld een gedachte konden vormen, waarom hebben zij dan niet veeleer de Heer van dat alles gevonden?

 


 

Vrijdag, 17 November 2017 : Psalmen 19(18),2-3.4-5.

De hemel verkondigt Gods heerlijkheid, het uitspansel toont ons het werk van zijn handen. De dag roept het toe aan de volgende dag, de nacht geeft het door aan de nacht. Geen woord wordt gesproken, geen stem weerklinkt, geen enkel geluid is te horen; toch klinkt over heel de aarde hun roep, hun boodschap dringt door tot de rand van de wereld.

 


 

Vrijdag, 17 November 2017 :

 


 

Vrijdag, 17 November 2017 : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 17,26-37.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon. Zij aten en dronken, huwden en werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam, die allen ver­delgde. Of zoals het was in de dagen van Lot; zij aten en dronken, kochten en verkochten, plantten en bouwden, maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok, regende het uit de hemel brandende zwavel, die allen verdelgde, zo zal het ook zijn op de dag waarop de Mensenzoon zich openbaart. Wie die dag zich op het dak bevindt, terwijl zijn bezittingen binnens­huis zijn, moet niet naar beneden komen om ze te halen, en zo moet wie op het land is, niet terugkeren. Denkt aan de vrouw van Lot. Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen en wie het verliest, zal het behouden. Ik zeg u: als er in die nacht twee in een bed liggen, zal de een worden meegenomen en de ander achtergelaten. Als twee vrouwen samen bezig zijn met malen, zal de een worden meegenomen en de ander achtergelaten.' Toen de leerlingen Hem daarop vroegen: 'Waar, Heer?' antwoorde Hij hun: 'Waar het lijk ligt, daar zullen zich de gieren verzamelen.'

 


 

Vrijdag, 17 November 2017 : Commentaar H. Faustina Kowalska

Eeuwige dag, zeer gewenste dag, Ik kijk naar U met nostalgie en ongeduld En weldra zal de liefde de sluiers scheuren, En wordt U mijn heil. Wonderbaarlijke dag, onvergelijkelijk moment, Waar ik voor het eerst mijn God zal zien, De Bruidegom van mijn ziel en de Heer van de Heren, Ik voel dat de schrik mijn ziel niet zal bereiken. Plechtige dag, heldere dag, Waarop de ziel zijn God in zijn kracht zal kennen En geheel duister zal worden in zijn liefde, En zal weten dat alle ellendes van de ballingschap voorbij zijn. Gelukzalige dag, gezegende dag, Waarop voor U mijn hart met eeuwig vuur zal opvlammen Want ik voorvoel reeds zelfs dat door de sluiers heen, U, Jezus die, in leven en dood, mijn verrukking en bekoring bent. Dag, waar ik gedurende mijn hele leven Met ongeduld op heb gewacht, U, Heer, Want U bent de enige die ik verlang U, de Enige in mijn hart, de rest is niets voor mij. Zalige dag, oneindige zoetheden, Mijn Bruidegom, God van grote majesteit, U weet dat niets het hart van een maagd tevreden zal kunnen stellen, Mijn voorhoofd leg ik op uw zachtmoedige Hart.