Lezing van de dag

Maandag, 22 Januari 2018 : Uit het 2e boek Samuël 5,1-7.10.

In die dagen begaven alle stammen van Israël tot David in Hebron en zeiden: 'Zie, wij zijn uw vlees en bloed. Reeds vroeger, toen Saul nog koning over ons was, waart gij het, die Israël te velde deed trekken en terugbracht. En tot u heeft de Heer gezegd: "Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van Israël zijn!" Toen alle oudsten van Israël dus tot den koning in Hebron gekomen waren, sloot koning David met hen een verbond voor het aanschijn van de Heer, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd. David was dertig jaar, toen hij koning werd, en veertig jaar lang heeft hij geregeerd. Zeven jaar en zes maanden regeerde hij over Juda in Hebron, en drie en dertig jaar over heel Israël en Juda in Jerusalem. Nu trok de koning met zijn manschappen naar Jerusalem op, tegen de Jeboesieten, de inheemse bevolking. Dezen riepen tot David: Hier komt ge niet binnen; blinden en kreupelen zouden het u kunnen beletten! Daarmee bedoelden ze: David kan hier onmogelijk in. Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad. David werd nu hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh, de God der heirscharen, met hem was.

 


 

Maandag, 22 Januari 2018 : Psalmen 89(88),20.21-22.25-26.

Eertijds zijt Gij aan uw profeet verschenen, en hebt Gij uw besluit geopenbaard: Een sterke man heb Ik de troon geschonken, een uitverkorene genomen uit het volk. Mijn dienaar David heb Ik opgezocht en hem gezalfd met mijn gewijde olie; Als teken dat mijn hand hem steeds zal steunen en dat mijn arm hem kracht verlenen zal. Mijn trouw en mijn genade leiden hem, mijn Naam zal hem de zege schenken. Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.

 


 

Maandag, 22 Januari 2018 :

 


 

Maandag, 22 Januari 2018 : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 3,22-30.

In die tijd zeiden de schriftge­leerden onver Jezus dat Beelzebul in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. Hij riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: 'Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is, kan dat rijk geen stand houden. Wanneer een huis innerlijk verdeeld is, zal dat huis geen stand kunnen houden. En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasterin­gen die zij uitge­sproken hebben, maar als iemand lastert tegen de heilige Geest, krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde.' Dit omdat zij gezegd hadden: 'er huist een onreine geest in Hem.'

 


 

Maandag, 22 Januari 2018 : Commentaar H. Thomas van Aquino

      De wonderen van Christus waren bedoeld om zijn goddelijkheid te laten zien, maar deze moest verborgen blijven voor de demonen, anders zou het mysterie van de Passie erdoor verhinderd zijn geworden: “Als ze ervan geweten hadden, zouden zij de Heer van de Heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1 Kor 2,8). Het lijkt dus dat Christus geen wonderen ten aanzien van de demonen moest doen… Toch had de profeet Zacharia wonderen voorspeld, toen hij uitriep: “Ik jaag de geest van onreinheid uit het land” (Za 13,2). De wonderen van Christus waren immers bewijzen ten gunste van het geloof dat Hij onderrichte. Welnu, moest Hij niet door de macht van zijn goddelijkheid, de macht van de demonen vernietigen, in de mensen die in Hem gingen geloven, zoals Johannes schrijft: “Nu zal de Prins van deze wereld worden buitengeworpen”? (Joh 12,31)       Het klopte dus dat Christus, naast andere wonderen, de mensen, die door demonen bezeten waren, ervan bevrijdde… Overigens, schrijft Augustinus, “Christus heeft zich door de demonen laten kennen, voorzover Hij het gewild heeft, en Hij heeft het gewild voorzover het nodig was… voor bepaalde materiële werkingen van zijn macht”. Bij het zien van zijn wonderen vermoedde de demon dat Christus de Zoon van God was: “De duivels wisten dat Hij de Zoon van God was”, zegt Lucas (Lc 4,41). Wanneer ze getuigden dat Hij de Zoon van God was, “was het eerder een vermoeden dan een zekerheid”, merkt de heilige Beda op. Wat betreft de wonderen die Christus gedaan heeft door demonen uit te drijven, heeft Hij ze niet gedaan om hun nut, maar voor die van de mensen, opdat zij God lof brengen. Daarom belette Hij de demonen om te spreken over hetgeen raakte aan zijn lofzang. Johannes Chrysostomos zei: “Het was niet wenselijk dat de demonen zich de glorie van de rol van apostelen toe-eigenen, en ook niet, dat de taal van de leugen het mysterie van Christus predikt”.